Travel Stories (in Dutch)

From New York & New Jersey (2003):

  1. Newark
  2. YMCA
  3. Immigrant zijn

From Monrovia (2009):

  1. Mijn Stam
  2. Vergeven
  3. The Interior

From Africa (2011):

  1. Rwanda
  2. Liberia en Sierra Leone

 

Newark

Februari 2003

Mijn eerste week in Amerika zit erop. Ik heb nog geen huis, geen salaris, geen telefoon, maar al wel email gelukkig, en een ziekenfonds. Eentje voor buitenlandse studenten, waarin dekking beperkt is tot noodgevallen en zwangerschap, en verder alle vormen van psychotherapie die je je kunt voorstellen. Kennelijk gaat het meestal niet zo goed met de buitenlanders hier.

En inderdaad, Newark is geen vrolijkmakende stad. Sinds hevige rassenrellen in de jaren ’60 is Newark verlaten door de middenklasse. Met hen vertrok het normale stadsleven. In het centrum zijn enkel nog discountwinkels over; ondanks lange wandelingen heb ik in de stad geen enkele boekenzaak gevonden, geen supermarkt, en geen winkel waar ze groenten verkochten (toen ik een portier vertelde waarom ik een supermarkt zocht zei hij verbaasd: “But take-out Chinese has vegetables in it!”). De discount stores –genre grote zakken chips, pijnstillers en kitchklokken- hebben meestal een vervaarlijke portier. Om zeven uur sluiten ze allemaal, en daarna lopen alleen nog daklozen en ik over straat. Nomale mensen zoeven voorbij in een SUV, vast op weg naar hun bungalow in een suffe buitenwijk.

Rutgers-Newark is ook geen vrolijkmakende campus. Het is een verzameling lage, karakterloze betonklotsen, doorsneden door drukke straten. De studentenpopulatie is zeer divers – moslims, zwarten, Indiers, blanken, geen groep domineert. Dat is meteen het belangrijkste verkoopargument van de universiteit (‘most diverse campus nationwide!’). Van andere kwaliteiten moeten ze het ook niet hebben: in de academische rankings heeft de universiteit zich net opgewerkt van de laatste tot de derde kwart.

Het instituut waar ik werk is een soort uitpost van academische beschaving in deze woesternij. Met het geld van een supermarktkoning, naar wie het gebouw genoemd is (een gevluchte Newarker met spijt?), zijn een aantal grote breinen bij elkaar gezet om de neurowetenschappen tot een hoger plan te trekken. En hier spelen ze dan; ze kunnen doen en laten wat ze willen en een nieuwe onderzoekslijn uitzetten op elk moment van de dag (net nog tijdens lunch besloot mijnn nieuwe baas tot het bouwen van een rattenzwembad). Ze bedruipen zichzelf door het geld dat ze binnen halen uit fondsen, en trekken zich weinig aan van de rest van de uni of van de stad. Iedereen woont ver weg, in Manhattan of de dorpen van landelijk New Jersey.

En dat ga ik ook doen. Met enige spijt, want langzaam ga ik Newark leuk vinden. Het doet me een beetje denken aan de Pontanusstraat om 3.00 's nachts en dat maakt het huiselijk, vemoed ik. Maar ik hoef me alleen maar mijn eerste keer in Newark te herinneren om zeker te weten dat ik hier niet wil wonen. Op terugweg naar het station liep ik door een groepje homeboys, de meesten met enorme koptelefoons op. Ze keken me aan alsof ik stoorde, en terwijl ik door ze heen liep zei er eentje; "Hey, tall gay, you're droppin' somethin'". Toen ik omkeek: "sucker". Het mes van een Mokumse junk is niet half zo bedreigend als zo'n kleutergrapje in een groep Newarks schorum.

Vorige week zondag kwam ik aan in New York. De eerste drie dagen heb ik gelogeerd bij vrienden van een tante, in een zeer genoeglijk huis in een hele leuke Brooklynbuurt. Ik had alle tijd ervan te genieten, omdat nog dezelfde avond zo'n sneeuwstorm losbarstte dat heel de stad twee dagen plat lag. Ook de universiteit was gesloten. Er zat niets anders op dan te genieten van het witte pak en een autoloos New York - alle wagens waren bedolven onder een meter sneeuw. Brooklyn is gelukkig geweldig, gemeleerd en vol met aardige mensen. Ik heb in een cafee naar een aantal revolutionaire studenten zitten luisteren die concurrerende marxistische splintergroepen aan het bespreken waren, en ik ben naar de Russen gegaan in Brighton Beach, waar de meeste winkels uithangborden hebben in het Cyrillisch. En ik heb lange leuke gesprekken gevoerd met mijn eveneens tot nietsdoen veroordeelde gastheren.

Woensdag begon het dan echt. Om niet dagelijks drie uur te hoeven forenzen ben ik naar de YMCA verhuisd in Newark, en daarna ben ik naar mijn eerste werkdag gegaan. Voornamelijk gevuld met papierwinkels. Voor een zo vrij land is Amerika verrassend bureaucratisch, met een erg langzame, logge, inflexibele overheid. Misschien is dat wat je krijgt als je te weinig geld aan je staat spendeert, dan moeten de burgers het werk doen. Maar los daarvan is werken hier niet zoveel anders dan aan de UvA. Behalve dat de kantoren geen ramen hebben (als je professor wordt mag je een kamer met raam, een goede motivatie om maar te blijven rennen in de wetenschappelijke tredmolen).

Ik kan het uithouden in de YMCA. Hij ligt lekker dicht bij de uni, en er is een zwembad waarin ik om de dag wakker word. In mijn kleine kamertje is een bed, een bureautje en een TV waarop ik 1 kanaal goed kan ontvangen (de afstandsbediening werd te vaak gestolen om ze nog mee te geven, en zonder dat kan ik de andere kanalen niet goed afstellen). Ik zit op het eind van een lange gang met iets als dertig soortgelijke kamers. We delen douches & microwave, maar ik zie mijn medebewoners nauwelijks. De Y, M en C staan voor young, men en christian, en het was bedoeld als een hotel voor nette jonge mannen. Zoals studentenhuisvesting te ver van het Amsterdamse centrum, is de Y een echter vergaarbak geworden voor iedereen die niets beters kan vinden. Uitgeleefde werkloze dames, mannen van een paar honderd kilo, wat zonderlingen. Ik heb niet echt last van ze. Meer van het feit dat er de hele dag warme vettige lucht de kamer in wordt geblazen en de ramen nauwelijks open kunnen, en van de medelijdende blik in de ogen van zelfs de fastfoodbediende als ze horen dat ik in de 'Y' slaap.

Ik werk tot laat op werkdagen, en 's avonds en in het weekend kijk ik naar dat ene kanaal op mijn TV. Het is publieke TV, een kruising tussen de BBC en het vrije kabelkanaal in Amsterdam. Je kan er leuke documentaires zien 's avonds laat, maar in het weekend waren er alleen kookprogramma's en hoe-bouw-ik-een-hek-om-mijn-tuin selfhelp. Gelukkig is er in het weekend zo'n 150 blz. New York Times om door te werken, dus afleiding genoeg. Zo kan ik het nog wel even volhouden, maar binnenkort moet het toch veranderen. Daarom ben ik druk appartementen zoeken. Tegen de tijd van het volgende rapport hoop ik dus gemoedelijk in Jersey City te wonen, halverwege tussen hier en Manhattan (daar heb ik een huis gezien in een leuke buurt van met andere immigranten). Dan heb ik vast een entertainment center, zoals ze het hier noemen, met 100 kanalen, eet ik elke dag eigen gekookte groenten, en zegt nooit iemand meer dat ik iets heb laten vallen als dat niet zo is.

Samenvattend: het gaat redelijk, mijn leven hier is in ieder geval interessant genoeg. En volgende keer is alles beter.

Martijn

P.S.: als antwoord op vele vragen, nee, ik merk weinig van de oorlogsstemming hier. De meeste mensen die ik gesproken heb laten duidelijk merken tegen de oorlog te zijn, en de rest vraag ik het maar niet. Wel merkte ik bij sommigen een lichte paniek over terrorisme. Heb jij al met je familie afgesproken waar je elkaar ziet na een aanslag? Heb je al een 'safe room' afgeplakt met plastic? Ik dacht dat iedereen moest lachen om zulke vragen, maar ze zijn er hier echt mee bezig.

top

YMCA

23 maart '03

Mijn dagen in de YMCA zijn voorbij. Ik schrijf dit tijdens mijn eerste weekend in Jersey City, waar ik een appartement gehuurd heb half zo groot als dat in Amsterdam voor vijf keer de prijs. Nu ja, twee derde van de ruimte, met een stuk comfortabeler badkamer en inclusief ijskast.

Uiteindelijk heb ik drie weken en een paar dagen in de YMCA van Newark geslapen. Als thuisloze, tenminste op dit continent, onder de thuislozen. Het volgende heb ik in mijn laatste dagen daar geschreven:

De Y is groot. Negen verdiepingen met in ieder geval op de mijne 32 kamers per verdieping. Op de elfde verdieping slapen gezinnen, veelal ongehuwde moeders met jonge kinderen. Beneden mij lijkt voorbehouden aan oude mannen, en de zevende is voor vrouwen. Mijn verdieping, de vijfde, is gemengd. Er slapen een aantal studenten, een aantal zijn jonge mannen die ik niet zo makkelijk thuis kan brengen, en tenslotte een assortiment losers van beiderlei kunne. Twee erg dikke mannen waggelen rond in kapotte T-shirts, een schichtige vieze senioor zie ik alleen maar ‘s avonds, als hij op kappotte schoenen naar de microwave sloft om smakeloos uitziende prakken op te warmen. Drie verlopen dames worden elke dag gebeld door hun moeder (dat laatste weet ik omdat ik altijd de telefoon opneem die in de gang hangt; hij is dicht bij mijn kamer en niemand anders doet het ooit).  Het zijn precies het soort mensen dat ik machtig interessant vind. Met veel plezier ga ik naar de discount stores in downtown Newark in om dat soort mensen te bewonderen terwijl ze kritisch bestek van een dollar aan het beoordelen zijn.

En toch heb ik bijna niets opgestoken over ze. Ik heb in die drie weken geen gesprek langer dan tien zinnen gevoerd in de Y. Het is niet dat ik niet wil (al heb ik niet zo heel veel moeite gedaan). Ik knik ook altijd zo vriendelijk naar iedereen hier dat ik me niet kan voorstellen dat ik ze afschrik. Niemand converseert hier veel met elkaar, dat is een factor. Ik kan niet met ze praten gewoon omdat ik ze niet kan volgen. Mijn Engels is niet slecht, dat mag ik toch zeggen? Maar met het slang van de Newarkse straat kan ik niets. Ik moet elke tweede zin vragen wat mijn gesprekspartners zeggen, en zij verstaan mij ook niet. Of beter, ze verstaan me geloof ik wel, maar ze begrijpen niet waarom ik zeg wat ik zeg. Dat probleem had ik ook de eerste keer dat ik in Amerika was. Als je als buitenlander een grap maakt of verrassend uit de hoek wilt komen staren ze je aan: je bent of gek of je kan maar beter een cursus Engels voor beginners volgen. "What's that?" Dan moet je je grap gaan uitleggen, of net doen alsof je iets over het weer zei. Zo ben ik natuurlijk ook met mensen die gebrekkig Nederlands praten. Als je niet begrijpt wat een buitenlander zegt is een grap niet het eerste waar je aan denkt.

Met de jonge mannen wissel ik niet meer uit dan gemompel. Ze lijken me niet te vertrouwen of niet interessant te vinden. Ze zitten er duidelijk al een tijd, hebben hun kamer helemaal ingericht met eigen meubels  Ze zijn cool, en hebben allemaal van die geboetseerde gespierde lichamen die je in reclames van fitnessapparaten ziet. Ze luisteren naar rap (behalve eentje, die luistert naar gospel en zondags naar evangelische preken op TV). Per dag zijn ze een uur bezig met hun haarsculptuur. Ik zou niet eens weten waar ik het met ze over zou moeten hebben. Snelle auto’s?

Dinsdagavond had ik een langer gesprek met een typ van hier, een oudje van een verdieping lager. Ik was al eens met hem in gesprek gekomen in een soort discountsnackbar tegenover het hotel. Het is er vies en ongezellig, maar je kan er iets kleins te eten halen. En het is een stuk gemoedelijker dan de enige andere restauratie na zeven uur 's avonds, een afhaalchineees waar aggressief kijken junkies congregeren (heeft 'chinezen' in Newark zijn betekenis gekregen?). We kwamen in gesprek omdat hij wilde weten hoe lang ik was, vaste prik hier. "How tall are you? Six feet six? You should play basketball!" Als altijd zei ik dat in Nederland iedereen zo lang is, en dat ik dus geen comparatief basketvoordeel heb. Toen bleek hij Hollands belangrijkste stad, Schiedam, heel goed te kennen.

Dinsdagavond kwam ik hem op straat tegen toen ik terug kwam van werk. Hij wilde net een kopje thee gaan drinken in de discountfebo. Op zijn uitnodiging ben ik mee gegaan, en heb daar in zo'n veertig minuten het grootste deel van zijn leven voorbij horen komen. Hij was geboren op Cuba een jaar of vijfenzestig geleden (hij was erg schimmig over concrete jaartallen, hij wist het niet en het kon hem ook niet meer zoveel schelen). Een boel jaren was hij matroos geweest op een tanker -zo kende hij Schiedam- toen was hij in New Orleans van het schip getrapt en had hij wat jaren gezworven, gewoond in Newark, getrouwd in Canada, veel heen en weer verhuisd, en nu was hij gestrand in Newark (uiteindelijk stranden we allemaal, laat het voor ons niet in een Y zijn!). Dat was ongeveer wat hij ervan wilde vertellen, naast een hoop anecdotes over de rare mensen die hij zoal tegen was gekomen. In het begin stelde ik veel vragen, maar vaak verstond hij ze niet en anders kon ik zijn antwoord niet volgen; meestal een enkele zin die tegelijk opmaat was voor weer een anecdote.

Het gesprek, en mijn hele verblijf in de Y, maakte me duidelijk dat ik niet zo deug als froebelantropoloog. Misschien ben ik er te voorzichtig voor, te bang om iets verkeerds te zeggen. Misschien ben ik te snel, en zit er iets in de maand vertrouwen winnen waarmee echte antropologen hun veldonderzoek beginnen. Maar dat maakt het antropologenbestaan toch een stuk minder romantisch, dat je het eerst een maand over het weer moet hebben met de Amazoneindianen voordat ze je inwijden in hun kannibalencultuur.

Inmiddels zit ik dan in Jersey City, in een stuk normalere buurt dan downtown Newark. Binnen een minuut lopen zitten een kruidenier, een kapper en een drankwinkel, wat je zoal verwacht in een stad. Het is een immigrantenbuurt. De poolhal en het restaurant in mijn straat zijn Dominicaans, de kruidenier wordt gerund door Pakistani, het cafee op de hoek is als ik het goed zag Iers, en een blok verder zitten een Poolse bakker, slager en delicatessenwinkel (die laatste heet “Europa” – stelletje usurpatoren, die Polen). Van thuisloze onder de thuisloze ben ben ik gepromoveerd tot immigrant onder de immigranten, en dat bevalt me wel.

Hier mijn adres:

56 Coles Street, apt. 3R

Jersey City, NJ 07302

Tel # (001)201.7987842

Wat jullie vast meer interesseert dan mijn domiciliaire besognes: hoe is het om in een land in oorlog te leven? Ik weet het niet, want hier in de homeland merk je er maar weinig van. Er rijdt meer politie rond, en patrouilles zijn tegenwoordig met machinegeweren bewapend. Maar dat is al decennia het geval in bijvoorbeeld Frankrijk. Verder waren de media natuurlijk vol van de oorlog - net als in Europa, vast. Na twee dagen duurde de oorlog echter al te lang voor televisie; de meeste zenders zijn dus weer terug bij het normale dieet van reality shows en eindeloze herhalingen van politievideo's met high speed achtervolgingen. Op straat en op werk hoor ik ook weinig over de oorlog. Mensen praten er niet veel over, waarschijnlijk omdat ze niet weten wat de anderen ervan vinden. Inmiddels is 70% van de Amerikanen voor de oorlog, maar de 30% tegenstanders en neutralen zijn oververtegenwoordigd in liberale oases als New York. In een groep hier zullen er dus altijd voor- en tegenstanders zijn, en dat inhibeert mensen. In mijn 'lab' vermijden we het onderwerp bijvoorbeeld, omdat de baas een andere opvatting heeft dan een groot deel van zijn staf.

Er zijn nog wel anti-oorlogdemonstraties. Hele grote op Manhattan, zielige kleine in Newark. Daar liepen een weekend geleden een honderdtal mensen een heel kort rondje in een centrum, misschien in de hoop dat ze met duizenden zouden lijken voor de voorbijrazende automobilisten. Het maakt sowieso weinig indruk op me. Wat moet je nu nog demonstreren? Dat de soldaten weer terug moeten naar Koeweit, met excuses aan Saddam?  Ik denk dat de liberals hun plakkaten en spandoeken beter in de schuur kunnen zetten voor het volgende avontuur van George W. Dat duurt vast niet zo lang meer.

Nog iets over de media en Irak. De oorlog toont pijnlijk duidelijk wat Amerika mist: een BBC. De World Service is hier gelukkig nooit ver weg. Als de publieke radiostations niets te melden hebben geven ze hun zender over aan de BBC. Dat zijn de tijden dat ik echt iets leer, met berichten uit andere landen dan de USA en Irak, en analyses die wat verder gaan dan waar de troepen over vier uur zullen zijn. Amerikaanse zenders concentreren zich op breaking news, dat eindeloos herkauwd wordt (zo zijn ze goed ingesteld op zappers, vermoed ik). Verder is er een boel human interest, verhalen over wat de soldaten voor ontbijt krijgen en hoe de familie thuis aankijkt tegen hun heroische taak. Veel Amerikaans nieuws is bovendien niet alleen op kleuterniveau, maar ook geschilderd in felle kleuterkleuren. Regelmatig wordt besproken of anti-oorlogsdemonstraties niet verboden zouden moeten worden, af en toe wordt terugverwezen naar Frankrijks asociale blokkadepolitiek die vrede onmogelijk maakte, en het lachwekkende gebruik van de term coalition forces voor Amerikaanse divisies wordt ongegeneerd overgenomen (coalition of the bullied, hoorde ik op de BBC, een treffende term voor eilanden in de stille zuidzee, kandidaten voor de NAVO, en bange ontwikkelingslanden. maar wat doen mr. Forza Corruptia en Harry Potter daar tussen?). Op 1 Amerikaanse zender valt het overigens allemaal wel mee –ACB News. Dat wordt dan ook door woedende republikeinse congresleden gebrandmerkt als onpatriottisch.

Het is de dwang van de kijkcijfers in het extreme. De media manipuleert de kijker hier niet. Ware het maar zo! De kijker manipuleert de media: als je niet zegt wat de mensen willen horen kijken ze wel naar het nieuws een kanaal verder. Sowieso, als mij wat froebelpoliticologie wordt vergeven, is Amerika niet een voorbeeld van te weinig democratie maar van teveel. Amerika is wat er gebeurt als politici luisteren naar wat het volk wil, als het volk de rechtszaken beslist, en als media het volk bedienen zoals het bediend wil worden. Kijk naar rechtszaken hier: zielige, nette mensen krijgen 32 millioen dollar omdat een muur in hun huis beschimmeld was, niet zo zielig, vieze mensen krijgen 25 jaar gevangenisstraf voor drie winkeldiefstallen. Kijk naar politiek: zielige, overwerkte tweeverdieners krijgen belastingverlaging, niet zo zielige, Spaans sprekende binnenstadbewoners moeten het maar met wat minder geld voor hun scholen doen. Het volk geeft en het volk neemt, en in Amerika gaat dat er wat extremer aan toe dan bij ons. Tot nu toe dan, want is demagogie niet het logische eindpunt van democratie? Of vormen wij Europeanen een ander soort volk? Ik ben er nog niet uit.

top

Immigrant Zijn

22 April '03

Lente in Amerika. Anderhalve week terug was er een sneeuwstorm, precies een week geleden was het bijna dertig graden, ere-eregisteren kwam het kwik maar net boven de celsiusnul en vandaag was het weer lekker. Misschien zijn Amerikanen daarom wel zo eigenmachtig: zelfs hun klimaat laat ze constant in de steek.

Ik ben mijn laatste weken ingegaan hier. Half juni, het is nu officieel, verhuis ik weer terug naar Amsterdam, naar Daniela, mijn vrienden en een nieuwe baan aan de Vrije Universiteit. Terwijl ik door Jersey City loop voel ik me al een beetje nostalgisch. Het beviel me hier wel. Ik sluit steden snel in mijn hart, vooral als ze oud, vies en rauw zijn. Ik heb bijna elke stad gemist waar ik langer dan een paar weken verbleef, en dat zal ook wel het geval zijn met Jersey – Johsie zoals mensen het uitspreken die het kunnen weten. Ik vind het ook niet verkeerd van mezelf; als je alles mist ben je kennelijk overal gelukkig geweest.

De stad Johsie is er eigenlijk drie. Aan de rivier die Jersey City van New York scheidt, met uitzicht over Manhattan, staat een rij appartementscomplexen waarin Yuppen resideren voor wie een loft in Chelsea net te duur of te wild is. Allemaal exact 34 verdiepingen hoog, allemaal 'Plaza' of 'Marina' geheten, allemaal in de jaren '90 gebouwd door projectontwikkelaars, en allemaal samen het zicht op NYC blokkerend voor de rest van J.C. Daarachter, van de klatergoudkust gescheiden door wat grote wegen en een winkelcomplex, ligt Downtown. Een vierkante kilometer gemoedelijke stad. Rechte straten met vriendelijke baksteengebouwen van twee tot vier verdiepingen hoog, uit (denk ik) begin twintigste eeuw. Aan de grotere straten liggen winkels van uiteenlopend pluimage, en op de hoeken kleine grocery shops. Hier woon ik, en met mijn vele andere immigranten. Achter downtown ligt een strook snelwegen en verlaten spoorlijnen, en daar weer achter, op een heuvelrug, de eigenlijke massa van Jersey City. Eindeloos strekken zich daar woonwijken uit met de typische houten suburbia-huizen te zien in bijvoorbeeld American Beauty, afgewisseld met kleine 'malls', industrieterreinen, en nog meer verlaten spoorlijnen (de stad is, om het mild uit te drukken, wat onaf). Wie daar allemaal woont weet ik niet.

Jersey City is niet echt gezellig; zelfs op de trap in mijn huis groeten mensen elkaar niet. Ik ken vier mensen in downtown. Twee collega's die ik nu en dan in de metro naar werk spreek, en een sloeber die me altijd om kleingeld vraagt. Hij geeft er geen teken van mij ook te kennen, maar hij moet weten dat ik dagelijks voorbij kom en vaak doneer. En ik ken een winkelier, een Egyptenaar die me ongevraagd vertelde dat Amsterdam de geweldigste stad was op de hele wereld. Hij was er nooit geweest, hij had het van de gasten in het hotel waar hij in z'n vaderland werkte: busladingen Hollanders afgeleverd door Djoser (andere gasten had hij er nooit gezien). Iedere migrant met wie ik interageer vraag ik meteen waar ze vandaan komen. Roemenie, gevlucht voor Ceausescu. Belgie, geboren als zoon van een Poolse mijnwerker in Luik. Dominicaanse Republiek, gaat terug zogauw er een beetje spaargeld is. Slowakije, verlangt erg naar Bratislava. Oekraine, verhuisd naar Amerika na een paar jaar Duitsland tijdens de oorlog. Duitsland? Als dwangarbeider? Of als collaborateur? Ik heb het natuurlijk niet gevraagd. Daniela vond het al zo genant dat ik plompverloren vroeg waar het vriendelijke vrouwtje met dat rare accent geboren was.

Daniela is hier een week op bezoek geweest, meteen volgend op de week dat ik in Nederland was voor mijn promotie. In Amsterdam was het leuk maar zeer hektisch. Hier, in wat ooit het nieuwe Mokum was, hadden we vakantie. Op de al genoemde grillen van het weer na was het een erg aangename week. We hebben kilometers gelopen op Manhattan, buurten kijkend, wolkenkrabbers bewonderend, winkels kijkend, mensen kijkend. We hebben ook Jersey ge-exploreerd, tot een naargeestig industrieterrein toe waar ik naar de bouwwinkel wilde. We hebben absurd dure broccolisalades geknibbeld in een Amerikaanse eurochic-salon, en vettige hamburgerwaar besteld in buurtdiners met nors personeel. Zelfs na een week bleef ik onder de indruk van zoveel leven en diversiteit: wat een geweldige stad!, zowel New York als NYCs kleine broertje waarin ik woon. Gelukkig vond Daniela dat ook, al viel het haar op dat New York bij slecht weer iets desperaats heeft. Een anonieme metropool waar mensen elkaar in het openbaar niet aankijken en allemaal zo snel mogelijk naar huis willen, naar hun kleine afgezonderde koninkrijkje. Als toerist leef je op straat, en dan valt dat op.

Ons enige evenement met anderen was een diner bij een collega van middelbare leeftijd. Het Joods pasen was begonnen, en deze man van Joodse afkomst organiseerde een sedermaal om het te vieren. Pesach gedenkt de exodus van de Joden uit Egypte. Mijn collega was op het idee gekomen al zijn gasten te laten vertellen over hun eigen exodus, of die van hun familie. Een spannend idee; we moesten allemaal een schotel van ons moederland meenemen en ons verhaal voorbereiden.

Daniela heeft een exodusverhaal -al weet ik niet of de echte exodus van het oosten naar Amsterdam was, of al eerder toen ze plots in een ander land woonde zonder te verhuizen. Ik heb er geen; ik ben hier een ordinaire economische migrant, en eerder van Belgie naar Nederland was nu niet direct een cultuurschok van jewelste. Gelukkig had ik de familie van mijn moeder om op terug te vallen (als Indiegangers waren die deel van een heuse volksverhuizing terug naar het kikkerland in de jaren na de oorlog). Ook de andere aanwezigen hadden voornamelijk verhalen van familiale exodus. Er was een Indiaas-Amerikaan wiens ouders uit Bombay waren gekomen naar het land van melk en honing, er was een Mexicaans-Amerikaanse wiens familie aan beide kanten van de grens leefde, in twee culturen. Er was een Italiaans-Amerikaanse wiens grootouders ge-emigreerd waren. Ze hadlevendige herinneringen aan haar bezoek als puber aan het stadje in Calabrie waar haar genen vandaan kwamen maar ze de taal niet sprak. Het was leuk om al deze familiegeschiedenissen te horen, en het gaf een zekere lotsverbondenheid- allen emigranten.

Toch, toen ik aan het begin van de avond de Indier en de Mexicaanse vroeg waar ze vandaan kwamen, zeiden ze allebei zonder aarzelend: "Texas". Niet India of Mexico, Texas. Als Europeaan kan je makkelijk lachen om Laotian-American en soortgelijke constructies, maar ze voelden het echt. Zij, kinderen en kleinkinderen van buitenlanders, zagen zichzelf in de eerste plaats als Amerikaan. Ook op andere manieren waren ze de belichaming van het oude Amerikaanse verhaal van migratie en assimilatie. Zonder uitzondering waren ze universitair opgeleid en in goeden doen, terwijl hun grootouders en soms zelfs hun ouders naar de nieuwe wereld waren gekomen met niets dan handarbeid in het vooruitzicht. De American dream; iedereen een Yankee zogauw ze voet aan wal zetten en binnen een generatie upper class.

Voor ik het echt ging geloven vroeg ik me af waar de losers dan waren. Maatschappelijk aanzien is per definitie een schaars goed. We kunnen niet allemaal in de top van de sociale pyramide verblijven, er moet iemand zijn om op te staan. Wie zijn dan die onderlingen? Immigranten stijgen en WASPs worden de nieuwe onderklasse? Zijn er categorieen immigranten die het niet maken? Het antwoord daarophad ik eigenlijk al gezien in Newark en de YMCA - het is niet zo anders dan wat je uit Amerikaanse films en series op zou maken. Maar dat maakt de zaak alleen interessanter: wat zorgt ervoor dat sommige groepen uit de goot opkrabbelen en anderen niet? Prijsvraag van de week, wie het weet mag het zeggen en moet meteen 's Neerlands licht Nawijn opvolgen als minister van integratie.

Tot slot wil ik belangrijk nieuws met jullie delen dat vast het NOS journaal niet heeft gehaald. Hier kregen deze items tijdens het tien-uurjournaal van een kleiner 'network' allemaal ongeveer even veel tijd als de dagelijkse reportage over Irak:

-Britney Spears heeft haar haar geverfd. Het is nu bruin.

-In Brooklyn is een fietser aangereden door een bus. Vier meisjes vertelden  in hun minuten durende interview dat ze 911 belden en wel erg waren geschrokken.

-Een mariniersvlag die boven een deur hing is gestolen. Hij was van de moeder van een soldaad in Irak, en haar hart is nu gebroken.

-De dierenbescherming wil dat het stadje Hamburg, New York, zichzelf hernoemt tot Veggieburg, NY. Anders dreigen acties. Vier ge-interviewde Hamburger bewoners waren tegen.

Om af te sluiten nog een berichtje van de BBC en eentje uit de NY Times:

-De Amerikaanse suikerindustrie is boos op de WHO, die heeft gezegd dat het consumeren van veel suiker dik maakt. De branche gaat nu lobbyen voor het zich terugtrekken van de VS uit deze banenvernietigende organisatie.

-Grote Amerikaanse bedrijven zijn boos op de EU omdat die met scherpere milieu-eisen komt (bedrijven moeten betalen voor het verwerken van hun produkten, en mogen geen kwik meer gebruiken). Volgens een lobbyist bewezen zulke maatregelen dat Europa minder democratisch was dan de VS. Een andere lobbyist vermoedde anti-amerikanisme achter de regels.

top